Rb. Rotterdam 16 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX6843
Ter beantwoording van de vraag of verweerder de middelen Spin-Ex en SP 61 terecht heeft aangemerkt als biociden dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of D-Limoneen een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wgb is en, zo ja, of de middelen bestemd zijn om een schadelijk organisme te weren. De insecticidenwerking van D-Limoneen is door eiseres niet bestreden. De industrie heeft aangegeven dat deze stof een werkzame stof in biociden kan zijn en deze stof is daarom destijds aangemeld voor plaatsing op de Biocidenrichtlijn. De biocidewerking van de stof is derhalve onderkend en de stof is als werkzame stof geïdentificeerd. Uit de omstandigheid dat de aanmelding is afgebroken kan naar het oordeel van de rechtbank niet - a contrario - worden afgeleid dat dus geen sprake is van een werkzame stof. De rechtbank kan verweerder voorts volgen in zijn standpunt dat de bestemming van de middelen - gelet op de claim, het aanbevolen gebruik en de presentatie van de middelen - duidt op een biocide. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de definitie van biocide in artikel 1, eerste lid, van de Wgb. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de middelen biociden zijn. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de middelen niet als biociden zijn toegelaten door het Ctgb, is daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 20 van de Wgb. Verweerder was derhalve in beginsel bevoegd om de boete op te leggen. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding geven voor een matiging van de boete. Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2012 aangegeven dat hij zich kan voorstellen dat de rechtbank - zelf in de zaak voorziend - het boetebedrag zal aanpassen, zoals het CBb in de uitspraak 1 maart 2012 (LJN: BV9535) heeft gedaan. In het geval van eiseres zal dit tot een boetebedrag van € 2250,- moeten leiden, te weten de standaard boete van € 1500,- voor een distributeur, vermeerderd met een factor 0,5 vanwege de bedrijfsomvang (meer dan 50 werknemers). De enkele omstandigheid dat eiseres de middelen centraal inkoopt en daarna verspreidt onder haar vestigingen, rechtvaardigt die conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet. Gelet hierop dient eiseres te worden aangemerkt als een professioneel gebruiker, waarvoor een standaard boetebedrag van € 500,- geldt. Verweerder heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom aanleiding bestaat het standaard boetebedrag te vermenigvuldigen met een factor 0,5 vanwege de bedrijfsomvang. Ten aanzien van de proceskostenveroordeling hanteert de rechtbank een wegingsfactor 0,5 omdat in 16 soortgelijke zaken eensluidende gronden van beroep zijn ingediend en één gezamenlijke zitting heeft plaatsgevonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl