Rb. Rotterdam 16 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX5630
eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een door spoorinfrastructuurbeheerder ProRail b.v. bij de minister van Infrastructuur en Milieu ingediend saneringsverzoek, dat het beëindigen van de beschikbaarheid van de rijweg voor doorgaand treinverkeer via de Oosterspoorbaan tot gevolg zal hebben. Instemming met dit verzoek zal de realiseerbaarheid van de door eiser, in opdracht van en in samenwerking met diverse instanties in de wijk Utrecht Oost, ontwikkelde plannen voor distributie in de stadsdelen Oost en Noordoost, onmogelijk maken of op ernstige wijze bemoeilijken. Eiser stelt hierdoor in aanzienlijke mate schade te zullen lijden. De rechtbank is van oordeel dat eiser door het instemmingsbesluit niet rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Eiser voert de plannen, die als gevolg van de afsluiting van de Oosterspoorbaan geen doorgang kunnen vinden, niet op eigen initiatief uit. De besluitvorming en de uiteindelijke beslissing over de realisatie daarvan ligt bij de opdrachtgevers. Eisers belang bij behoud van de Oosterspoorbaan is daarmee gelegen in zijn (contractuele) verhouding tot deze partijen. Voorts is gebleken dat eiser zelf geen gebruik maakt van het spoor. Ook is zijn kantoor niet in de nabijheid van het spoor gelegen. In die zin heeft eiser geen persoonlijk belang dat hem in voldoende mate van willekeurige anderen onderscheidt. Eiser kan niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wegens het ontbreken van een eigen, rechtstreeks en actueel belang.
De uitspraak op rechtspraak.nl