Rb. Rotterdam 9 augustus 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX4551
Na een controle heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de toegangsbrug naar het perceel van eiser ernstig is verzakt en zo laag is komen te liggen dat de doorstroming, het onderhoud en de bereikbaarheid van het water ontoelaatbaar worden gehinderd. Nu voor de brug geen (keur)vergunning is verleend en deze niet voldoet aan het beleid van het hoogheemraadschap, heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn van 12 weken waarin eiser de brug dient te verwijderen of in overeenstemming met het beleid dient te brengen. De Rb. overweegt dat eiser bij de aankoop van zijn perceel geen concrete aanwijzing had dat verweerder voor de brug geen vergunning had verleend, noch enige aanleiding had daarnaar onderzoek te doen. De brug was meer dan een eeuw geleden geplaatst en vormt de enige toegang tot het door eiser gekochte perceel, waarop zijn woning is gelegen. Het onderzoek dat eiser in het kader van deze beroepsprocedure heeft gedaan, waarbij rekening is te houden met de doorgaans geringe mogelijkheid tot bewijslevering na het verstrijken van een zeer lange periode als in dit geval, heeft opgeleverd dat niet geheel kan worden uitgesloten dat ooit aan een van zijn rechtsvoorgangers een vergunning voor de brug is verleend. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder, zo eiser ten tijde van de aankoop van het perceel onderzoek had gedaan naar de rechtmatigheid van de brug, hem informatie over de vergunningverlening met volledige zekerheid had kunnen verstrekken. Daarnaast heeft de Rb. in ogenschouw genomen dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij regelmatig controles en jaarlijkse schouwen uitvoert ten aanzien van de bij hem in beheer zijnde watergangen. Ook uit art. 52 van de door verweerder overgelegde Keur uit 1876 blijkt dat verweerder(s rechtsvoorganger) reeds schouwen diende uit te voeren. Voorts zal verweerder bij de vaststelling van het peilbesluit de situatie ter plaatse hebben moeten beoordelen. Aangenomen mag daarom worden dat verweerder bekend was met de situatie ter plaatse, maar kennelijk nimmer aanleiding heeft gezien om te oordelen dat sprake was van een met de Keur strijdige situatie. Onder de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, zoals hiervoor vermeld, is de Rb. van oordeel dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat verweerder tot handhaving overgaat in de vorm van het opleggen van een last onder dwangsom. In dit geval acht de Rb. deze wijze van handhaving, zonder enige tegemoetkoming in de voor eiser optredende schade, zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder daarvan had behoren af te zien. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met art. 3:4 lid 2 Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl