Rb. Rotterdam 28 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW9827
Aan een algemeen verbindend voorschrift kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere - algemeen verbindende - regeling. De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad heeft voldaan aan de hem in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb opgelegde verplichting met de vaststelling van de in geding zijnde Afstemmingsverordening. De tekst van artikel 8 van de Afstemmingsverordening geeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in de daaruit voor een bijstandsgerechtigde voortvloeiende rechten en plichten en biedt derhalve voldoende rechtszekerheid, zodat daarin geen reden gelegen is om dit artikel als onverbindend te beschouwen. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat artikel 8 van de Afstemmingsverordening niet zou passen in het door artikel 18 van de Wwb gegeven kader voor de afstemming van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De rechtbank is verder van oordeel dat de beleidsregels, neergelegd in het Handboek SoZaWe, kunnen worden opgevat als wetsinterpreterend beleid van verweerder ter invulling van de door de gemeenteraad in de Afstemmingsverordening neergelegde criteria. Verweerder is hier op grond van het bepaalde in artikel 18 van de Wwb toe bevoegd.