Rb. Rotterdam 28 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW9825
Besluit waarbij in totaal 7 lasten onder dwangsom zijn opgelegd vanwege diverse overtredingen van de Whc. Eiseressen betogen onder meer dat verweerder gezien de substantiële omvang van de lasten onder dwangsom en het ingrijpende karakter daarvan niet mocht afzien van het opmaken van een rapport in de zin van art. 5:48 Awb. De Rb. overweegt dat op grond van art. 2.10, lid 1 Whc op het opleggen van deze lasten onder dwangsom art. 5:48 Awb van overeenkomstige toepassing is. Dit geldt niet voor art. 5:53 Awb. De Rb. onderschrijft het betoog van verweerder dat art. 5:48, lid 1 Awb verweerder de bevoegdheid - en derhalve niet de verplichting - geeft een rapport op te maken. De Rb. is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen rapport op te maken. Gelet op art. 5:48, lid 2 Awb is de functie van het rapport - kort gezegd - dat de overtreder weet tegen welke beschuldiging hij zich moet verweren. In dit geval wisten eiseressen ook zonder een rapport welke overtredingen zij naar het oordeel van verweerder zouden hebben begaan en om welke overtreden voorschriften het ging. Tussen eiseressen en verweerder is hierover ook al voor het primaire besluit veelvuldig contact geweest. De hoogte van de dwangsom en het door eiseressen gestelde ingrijpende karakter daarvan is geen reden om anders te oordelen. Het beroep van eiseressen slaagt op dit punt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6:146 BW6
- Artikel 6:193a BW6
- Artikel 6:193d BW6
- Artikel 6:193e BW6
- Artikel 6:234 BW6
- Artikel 5:2 Awb
- Artikel 5:7 Awb
- Artikel 5:37 Awb
- Artikel 5:39 Awb
- Artikel 5:48 Awb
- Artikel 5:53 Awb
- Artikel 8:51a Awb
- Artikel 8:51b Awb
- Artikel 2.10 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 8.2 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 8.8 Wet handhaving consumentenbescherming