Rb. Rotterdam 7 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW9713
Beide beheerders komen ieder op tegen beide besluiten op bezwaar waarin AFM de primaire heffingsbesluiten handhaaft. Voor zover zij opkomen tegen het aan de ander gerichte besluit op bezwaar zijn eiseressen niet-ontvankelijk. Beide entiteiten beschikten en beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wft, zodat voor hen afzonderlijk geldt dat zij als beheerder moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, onder 1°, van het Bbft. Het gezamenlijke balanstotaal van de beleggingsinstellingen waarover beheer wordt gevoerd als bedoeld in artikel 3 van de Regeling 2010 moet dan ook ten aanzien van hen beiden afzonderlijk worden bepaald. Omdat het balanstotaal van A volledig was geconsolideerd in de cijfers van B ligt het daarbij in de rede – om echte dubbeltellingen te voorkomen – bij de bepaling van het balanstotaal van de beleggingsinstellingen waarover beheer wordt gevoerd ter zake van B geen rekening te houden met dat deel van de balans dat ziet op A. Dit leidt echter niet tot een andere heffingsgrondslag omdat ook dan het in aanmerking te nemen balanstotaal van B boven de heffingsgrens van € 6 mld. uitkomt.
De uitspraak op rechtspraak.nl