Rb. Rotterdam 13 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8951

Dit vonnis telt 76 bladzijden. Vonnis in een uitstotings- en aansprakelijkheidszaak aangaande een vastgelopen joint venture. Zeer beknopt weergegeven verwijten eisers gedaagden dat zij de joint venture hebben doen mislukken door geen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken over de innovatieve projectontwikkeling en door iedere besluitvorming in de BV te blokkeren. Daartegenover stellen gedaagden in de kern dat de beoogde technologie niet haalbaar bleek binnen de afgesproken financiële kaders en dat eisers ermee hebben ingestemd dat de verdere projectvoering werd gestaakt. Enkele opmerkingen: 1. In § 6.B.1 van het vonnis wordt ingegaan op het wettelijke kader voor de uitstotingszaak, mede bezien in het licht van het wetsvoorstel Flex-BV. 2. In een uitstotingszaak ex artikel 2:336 BW is geen ruimte voor een reconventionele vordering van de strekking dat de kopende aandeelhouder verplichtingen van de uitgestote aandeelhouder jegens een derde over dient te nemen (§ 6.B.3). 3. Het beroep van gedaagden in de aansprakelijkheidszaak op de Poot/ABP jurisprudentie slaagt als absoluut verweer niet. In de aandeelhoudersovereenkomst is voor de aandeelhouders een verplichting opgenomen 'al datgeen te doen dat redelijkerwijs gevergd kan worden voor de uitvoering van het businessplan'. Een aandeelhouder kan de andere aandeelhouder op de nakoming hiervan aanspreken (§ 6.C.2). 4. Positie van aan een aandeelhouder gelieerde partijen: de belangen van de betreffende partijen waren dermate nauw betrokken bij de uitvoering van de aandeelhoudersovereenkomst dat zij mochten verwachten dat de andere aandeelhouder rekening zou houden met die belangen. 5. Het vonnis bevat een uitvoerige, feitelijke beschrijving van het mislukken van de samenwerking en de rol van beide partijen daarin. 6. In § 6.J wordt ingegaan op de uitleg van een concurrentiebeding"

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen