Rb. Rotterdam 14 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8407

Boete van € 100.000 wegens overtredingen van 8.3, 8.5 en 8.8 Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). De overtredingen zijn deels niet verwijtbaar wegens een geslaagd beroep op gewekt vertrouwen. Niet is uit te sluiten dat er mededelingen zijn gedaan door de toezichthouders waardoor mogelijk verwachtingen zijn gewekt. Deze mogelijk gewekte verwachtingen hebben geen betrekking op de overtredingen van artikel 8.8 Whc, omdat de Wet OHP op dat moment nog niet in werking was getreden. Voor de overtredingen van artikel 8.5 Whc kunnen de gewekte verwachtingen verweerder niet binden, nu de betrokken medewerkers niet bevoegd waren om toezeggingen te doen, maar hebben de gewekte verwachtingen tot gevolg dat de verwijtbaarheid ontbreekt. Aan de mededelingen kon met betrekking tot overtreding van 8.3 Whc geen gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend, gelet op de e-mail daarover. Ten aanzien van de termijnoverschrijding besluit op bezwaar is de rechtbank van oordeel dat het vereiste van ingebrekestelling materieel moet worden opgevat. Verweerder had op grond van 4:18 Awb bij beschikking de verschuldigdheid en de hoogte van dwangsom eigener beweging moeten vaststellen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, ziet de rechtbank aanleiding de met een besluit gelijk te stellen fictieve weigering te vernietigen. Naar analogie van 8:55c Awb ziet de rechtbank, bij gebreke van een verzoek daartoe, geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen