Rb. Rotterdam 26 april 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW4187

Tussenuitspraak. Toepassing van spoedeisende bestuursdwang in de vorm van het terstond laten staken van het treinverkeer over het betreffende spoor. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een overtreding van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beheerconcessie. Op grond van deze bepaling behoort het veilig en doelmatig bereden worden van de hoofdspoorweginfrastructuur tot de zorgtaak van eiseres. Nu het defect door de toezichthouder was geconstateerd, rustte op eiseres op grond van eerdergenoemde zorgplicht de plicht dit te herstellen met het oog op de veilige berijdbaarheid van de spoorweg. Spoedeisendheid voor verweerder gelegen in - kort gezegd - het gevaar van ontsporing dat bij doorscheuring van de spoorstaaf kon optreden. Gelet op betwisting deel uitgangspunten van verweerder en gemotiveerde stelling van eiseres dat het het gevaar van ontsporing zich in het onderhavige geval niet zou hebben voorgedaan, in ieder geval niet op zodanig korte termijn dat onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk was, had het op de weg van verweerder gelegen dit nader te motiveren in het bestreden besluit. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit nagelaten. Finale geschilbeslechting. Verweerder wordt de gelegenheid geboden om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen