Rb. Rotterdam 7 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW3094

Gedeeltelijke afwijzing verzoek om mini-instructie door rechter-commissaris. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of de grootmoeder van het vijfjarige slachtoffer dient te worden gehoord en op welke wijze dat dient te worden beoordeeld. Het ongeval heeft voor haar ogen plaatsgevonden. De positie van deze getuige als slachtoffer is relevant omdat de rechter-commissaris zich gebonden acht aan het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (verder: het kaderbesluit). Dat volgt uit het zogenaamde Pupino-arrest. Artikel 3, tweede volzin, van het kaderbesluit luidt: “Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.” Het voorgaande brengt met zich mee dat de belangen van de verdachte dermate zwaarwegend dienen te zijn dat deze het oordeel rechtvaardigen dat het noodzakelijk is om het slachtoffer te horen. Op dit moment zijn er nog voldoende alternatieven te onderzoeken waarmee het door de raadsman beoogde resultaat – het toetsen van zijn stelling – kan worden bereikt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen