Rb. Rotterdam 20 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW0058
AFM heeft een last onder dwangsom opgelegd opdat [A] alsnog een kopie zal overleggen van de bankafschriften van het/de bankrekeningnummer(s) die [A] aanhoudt voor haar bedrijfsactiviteiten vanaf 1 januari 2008 tot heden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon AFM redelijkerwijs van mening zijn dat zij de aan [A] gevraagde inlichtingen voor het goed vervullen van haar toezichthoudende taak behoorde te vorderen. Vast staat dat Nederlandse beleggers gelden hebben vertrekt aan [A] ten behoeve van het bekostigen van een of meer procedures die [D] heeft aangespannen en dat [A] zich verplicht om (de lening terug te betalen plus) een deel van de opbrengst (van [A] danwel [D]) af te dragen. Uit de verschillende overeenkomsten wordt niet zonder meer duidelijk welke relatie er tussen [A] en [D] bestaat. Mogelijk is het zo dat [D] en [A] tezamen beleggingsobjecten in de vorm van rechten op opbrengsten van mineraalrechten aanbieden. Voor zover dit niet het geval is en de belegger uitsluitend een recht op een percentage van de opbrengst van de rechtszaken die [D] voert en/of schikkingen die zij of [A] aangaan (met andere partijen) wordt voorgehouden, is het mogelijk dat [A] al dan niet tezamen met [D] rechten van deelneming in een beleggingsinstelling aanbiedt. In beide gevallen gaat het om gedragingen die in beginsel verboden zijn zonder te beschikken over een vergunning van AFM. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van [A] dat valt te vrezen dat de bankafschriften bij andere partijen terecht zullen komen. Gelet op artikel 1:89 Wft is AFM tot geheimhouding verplicht, terwijl de door [A] aangevoerde omstandigheden onvoldoende redenen geven er aan te twijfelen dat AFM de bankafschriften zuiver heeft opgevraagd met het oog op haar wettelijke toezichttaken.
De uitspraak op rechtspraak.nl