Rb. Rotterdam 22 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU9116

Aan een speeltuinvereniging is een bouwvergunning afgegeven voor de bouw van een speeltuin op grond van artikel 44 van de Woningwet. De vergunning is afgegeven voor speeltoestellen hoger dan drie meter, een blokhut (met de voorwaarde dat die ten dienste moet staan van het onderhoud en beheer van de speeltuin) en een hekwerk rondom het terrein van de speeltuin van maximaal twee meter hoog. Hiertegen is een groot aantal omwonenden in het geweer gekomen. De rechtbank oordeelt dat het beoogde gebruik van het terrein in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan rust op de speeltuinlocatie een openbare recreatieve bestemming. Bouwwerken mogen ter plaatse uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Het voorgenomen gebruik door vergunninghoudster is de exploitatie van een besloten speeltuin. Bij de aanvraag had vergunninghoudster het voornemen om entree te heffen. Naar het oordeel van de rechtbank is een speeltuin die alleen toegankelijk is voor leden en/of betalende bezoekers niet openbaar. Ook past het beoogde gebruik van de blokhut niet binnen de voorschriften van het bestemmingsplan omdat het de bedoeling is dat de blokhut bijvoorbeeld ook wordt gebruikt als verzamelplaats voor activiteiten. Verweerder heeft in de bezwaarprocedure geprobeerd de speeltuin een openbaar karakter te geven door te bepalen dat door middel van het sluiten van een overeenkomst met vergunninghoudster zal worden gewaarborgd dat de speeltuin voor een ieder, zonder betaling van entreegeld, toegankelijk moet zijn. Vergunninghoudster heeft echter verklaard dat zij vast wil houden aan het oorspronkelijke plan om entree te heffen. Zij stelt dat wanneer aan het openbare karakter wordt vastgehouden, zij niet meer als speeltuinvereniging, maar meer als activiteitenvereniging verder gaat en de speeltuinvereniging zal opheffen. Ook dit ondersteunt de conclusie dat het voorgenomen gebruik door vergunninghoudster de exploitatie van een besloten speeltuin is. De rechtbank veroordeelt verweerder aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en, voor zover daarom gemotiveerd is verzocht, reiskosten op basis van het openbaarvervoertarief (parkeerkosten zijn daarom afgewezen), verletkosten voor zover in redelijkheid zijn gemaakt. Vergoeding van griffierecht wijst de rechtbank af, omdat dit al geregeld is in artikel 8:74 Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen