Rb. Rotterdam 8 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU7351
De minister heeft ingestemd met de opheffing van de spoorweg Zwolle Katwolde, een goederenspoorlijntje dat de Katwolderhaven verbindt met Zwolle en dat over het bedrijventerrein Voorst loopt. De gemeente Zwolle is eigenares van deze spoorlijn en wil deze opheffen in verband met de revitalisering van het bedrijventerrein Voorst. De gemeente Zwolle heeft ProRail, als beheerder van de Katwolderhavenspoorlijn, verzocht deze lijn op te heffen. In verband hiermee heeft ProRail de minister om instemming verzocht op grond van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet. Eiseres 1 heeft als eigenares van de Katwolderhaven bezwaar tegen de opheffing van deze spoorlijn, omdat zij van deze spoorlijn gebruik maakt voor de goederenoverslag tussen binnenvaart en spoor. Eisers 2 en 3 zijn als belangenbehartigers van transportondernemingen tegen het opheffen van deze spoorlijn. Eisers zijn geen gerechtigden zijn als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet, zodat ProRail niet verplicht is eisers te consulteren. Eisers zijn wel belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Ondanks het standpunt van de minister dat de belangen van eisers buiten beschouwing gelaten moeten worden heeft hij bezien of het wel meewegen van deze belangen tot een ander besluit zou hebben geleid. Uitgaande van deze door verweerder gemaakte belangenafweging en in aanmerking genomen de terughoudendheid die de rechtbank in acht moet nemen bij het toetsen van instemmingsbesluiten als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet, oordeelt de rechtbank dat verweerder geen volstrekt onredelijke belangenafweging heeft gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl