Rb. Rotterdam 2 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU3686
Het opleggen van een gedoogplicht door het waterschapsbestuur op grond van artikel 5.24 Waterwet ter verbreding van een waterloop, waarmee 2.26% van de in eigendom toebehorende perceelsoppervlakte is gemoeid, is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Waterwet oordeelt de voorzieningenrechter dat de wetgever niet heeft beoogd onder de Waterwet een materiële wijziging aan te brengen inzake de uit te keren schadeloosstelling bij vergraving van agrarische grond tot water en dat de jurisprudentie van de ABRvS inzake de verenigbaarheid van de gedoogplicht op grond van de Waterstaatswet 1900 en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM mede van toepassing is op de gedoogplicht opgelegd op grond van de Waterwet. Gelet op het percentage (2.26%) van de totale oppervlakte van het perceel dat voor verbreding van de waterloop nodig is, heeft het waterschapsbestuur kunnen bepalen dat onteigening niet noodzakelijk is. De stelling van verzoekster dat de criteria die in de jurisprudentie onder de Waterstaatswet 1900 zijn ontwikkeld, niet meer zouden gelden onder de Waterwet, volgt de voorzieningenrechter niet onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Waterwet.
De uitspraak op rechtspraak.nl