Rb. Rotterdam 26 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT2756
Eiseres vordert veroordeling van gedaagde om mee te werken aan de juridische levering van een kerkgebouw aan gedaagde. In beginsel staat niets meer aan levering in de weg. Bovendien heeft gedaagde verklaard dat zij de kerk op korte termijn geleverd wil krijgen. De vordering in conventie is derhalve toewijsbaar. De vraag is of, zoals in reconventie gevorderd, een deel van de koopsom achter mag worden gehouden wegens door gedaagde geleden schade. Voorshands is voldoende aannemelijk dat sprake is van een vertraging in de levering. Die vertraging is hoofdzakelijk veroorzaakt door het doorhalen van kettingbedingen. Partijen hadden afgesproken dat eiseres de kerk in onbezwaarde staat en vrij van huur of enig ander gebruiksrecht zou leveren. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat daarmee mede was bedoeld het leveren vrij van bijzondere voorwaarden, zoals de kettingbedingen. De vertraging in de levering dient derhalve vooralsnog aan eiseres te worden toegerekend. Eiseres moet de schade die gedaagde door die vertraging lijdt vergoeden. Partijen zijn overeengekomen dat, indien de levering door toedoen van eiseres wordt vertraagd, op de koopsom in mindering wordt gebracht een bedrag aan rente over door gedaagde gemaakte externe kosten. Met die bepaling lijkt sprake te zijn van een boetebeding in de zin van art. 6:91 BW. hetgeen ingevolge het boetebeding verschuldigd is, treedt in plaats van schadevergoeding op grond van de wet. Niet is gebleken van andersluidende afspraken. Aannemelijk is dat met die bepaling bedoeld is een regeling te treffen voor alle schade als gevolg van vertraging van de levering.
De uitspraak op rechtspraak.nl