Rb. Rotterdam 15 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT1704
Tussen partijen is niet in geschil dat in de door eiseres geleverde AOT geen chemicaliën of voorlopers worden toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval de AOT toch onder de biocidenrichtlijn valt. Dat het handboek (manual of decisions) niet juridisch bindend is, doet aan dit motiveringsvereiste niet af. De lezing van verweerder van de woorden “should not” in het handboek, in die zin dat het enkel moet worden opgevat als een ‘voorstel’ om AOT niet onder de richtlijn te laten vallen, volgt de rechtbank niet, nu blijkens de considerans van de biocidenrichtlijn het doel is te komen tot harmonisatie van de interne markt voor biociden. Voor zover verweerder betoogt dat de biocidenrichtlijn ruimte laat voor het stellen van strengere eisen door de Lidstaten, en verweerder van die ruimte gebruik heeft gemaakt door in de Wgb tevens de ‘in situ gegenereerde biociden’ aan te merken als biocide, overweegt de rechtbank dat voor zover de biocidenrichtlijn al ruimte laat voor een ruimere definitie van biocide, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een werkzame stof als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wgb. De stelling van verweerder dat de hydroxylradicalen die door de AOT in situ worden gegenereerd, worden aangemerkt als ‘werkzame stof’ volgt de rechtbank niet, nu niet is gebleken dat door de productie van voornoemde hydroxylradicalen de eigenschappen van het water worden veranderd, dan wel daar iets aan wordt toegevoegd. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl