Rb. Rotterdam 25 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR6530
DNB heeft (de erven van) [A] een uitkering van € 100.000 toegekend uit hoofde van het depositogarantiestelsel voor depositohouders van DSB. De erven betogen tevergeefs dat DNB hen bij de toekenning van de uitkering, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, niet heeft aangemerkt als personen als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder b, Bbpm. Ook als het deposito na het overlijden van [A] als zogenoemde erven-rekening zou kunnen worden aangemerkt, volgt daaruit niet, zoals DNB terecht heeft overwogen, dat de erven als vier rekeninghouders van het deposito zouden zijn aan te merken. Uit artikel 4:182 BW vloeit immers alleen voort dat de erven [A] zijn opgevolgd in zijn vordering op DSB, maar daarmee is niet gegeven dat zij individueel mederekeninghouders van het deposito werden, reeds omdat zij de erven-rekening niet op eigen, individuele namen aan zouden houden, zoals is vereist ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, Bbpm, maar als erven van een nog onverdeelde nalatenschap. DNB heeft door in het bestreden besluit te verwijzen naar de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb echter wél de onjuiste indruk gewekt dat in het geval van meerdere erven onder bijzondere omstandigheden elke erfgenaam afzonderlijk zou kunnen worden aangemerkt als een persoon in de zin van de artikelen 19 en 26 van het Bbpm. Hoewel dit niet afdoet aan de op zichzelf draagkrachtige motivering van de bij het bestreden besluit gehandhaafde toekenning, ziet de rechtbank daarin wel grond om DNB te veroordelen in de proceskosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl