Rb. Rotterdam 15 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR4957

Uitgeprocedeerde vreemdeling, geen rechtmatig verblijf. Geen recht op bijstandsuitkering. Het beroep van de vreemdeling op de artikelen 3 en 8 van het EVRM en op de Terugkeerrichtlijn, en de stelling van de vreemdeling dat terugkeer naar het land van herkomst niet mogelijk is, kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Maatschappelijk opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang (Wmo) met recht geweigerd. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de autoriteiten van het land van herkomst voldoende gegevens heeft verschaft om de door haar gestelde identiteit en nationaliteit vast te kunnen stellen. Naar objectief medische maatstaf is niet aangetoond dat de vreemdeling gelet op haar gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van het privé- en gezinsleven. Het beroep op de artikelen 3 en 8 van het EVRM en op artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn kan niet slagen. Er valt geen publiekrechtelijke bevoegdheid aan te wijzen voor het verstrekken van voorzieningen in het kader van de bed-bad-broodregeling. Dat betekent dat de beslissing op een verzoek om in aanmerking te komen voor een dergelijke voorziening geen besluit is. Van een andere publiekrechtelijke bevoegdheid om de door eiseres gevraagde hulp te verstrekken is de rechtbank niet gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen