Rb. Rotterdam 4 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR4152
AFM heeft eiser gelast binnen tien werkdagen na dagtekening van dit besluit onder verbeurte van een dwangsom van € 4.000 per dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van € 80.000 alsnog schriftelijk en gedetailleerd informatie te verstrekken inzake onder meer zijn bedrijfsactiviteiten, de door hem aangeboden en afgesloten kredietovereenkomsten en de door hem in dit verband ontvangen geldelijke beloning. AFM kon redelijkerwijs van mening zijn dat zij de aan eiser gevraagde inlichtingen voor het goed vervullen van haar toezichthoudende taak behoorde te vorderen. Uit de advertentie en uit de bankafschriften volgt dat AFM voldoende gronden had om redelijkerwijs te kunnen vermoeden dat eiser zonder een daartoe door AFM aan hem verleende vergunning wellicht actief was als aanbieder van krediet. In dit verband wijst de rechtbank met instemming op het deel van het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 april 2011 (LJN BQ3273) waaruit kan worden afgeleid dat in de opvatting van dit hof ook indien het aanbieden van krediet uitsluitend als oogmerk heeft consumenten te bewegen gelden af te dragen zonder dat dit daadwerkelijk wordt gevolgd door het verstrekken van een geldlening, niettemin sprake is van overtreding van artikel 2:60, eerste lid, van de Wft, indien de aanbieder niet over de daarin bedoelde vergunning beschikt.
De uitspraak op rechtspraak.nl