Rb. Rotterdam 15 juni 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR2963

Geen bescherming onderbewindgestelde, omdat voor de Bank niet kenbaar was en evenmin naar objectieve maatstaven kenbaar had moeten zijn, dat in verband met geesteljke beperkingen een bewind was ingesteld. De vordering met betrekking tot de kredietvergoeding van 11,3 % op jaarbasis is niet naar maatstaven van redelijjkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. In de vrijwaringszaak tegen de bewindvoerder oordeelt de rechtbank dat de vordering op de bewindvoerder verjaard is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen