Rb. Rotterdam 1 juni 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8299
Bevoegdheidsincident. Reikwijdte en separabiliteit arbitraal beding. Art. 1053 Rv. Redelijkheid en billijkheid. Bij dagvaarding hebben Cui c.s. zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij subsidiair ontbinding van de vof vorderen op grond van artikrl 7A:1684 BW. Primair vorderen Cui c.s. immers vernietiging van overeenkomst II ogv dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden en daarnaast hebben zij ook vorderingen ingesteld voor het geval overeenkomst II niet wordt vernietigd of ontbonden. Ten aanzien van die vorderingen is arbitrage overeengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 1053 Rv doet daaraan niet af dat de vordering tot vernietiging – als zij slaagt – ertoe leidt dat overeenkomst II niet langer bestaat. Vanwege de wijze waarop Cui c.s. de vordering hebben ingekleed, komt de vraag naar de vernietigbaarheid van overeenkomst II logischerwijs het eerste aan de orde. De rechtbank behoort zich daarom onbevoegd te verklaren. Het is te zijner tijd aan de arbiter een oordeel te geven over zijn bevoegdheid ten aanzien van de subsidiaire vordering gebaseerd op artikel 7A:1684 BW, zo hij aan die vordering toekomt. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat een deel van de vorderingen van Cui c.s. betrekking heeft op overeenkomst I en dat de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van die vorderingen niet ter discussie staat. Uit de stellingen bij dagvaarding moet worden afgeleid dat de vorderingen uit hoofde van beide overeenkomsten zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Dat is echter op zichzelf onvoldoende om het arbitragebeding te passeren en de rechtbank ten aanzien van het geheel bevoegd te achten. Daarvoor zou alleen grond zijn als het beroep op (gedeeltelijke) onbevoegdheid van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geacht moet worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te zijn. Het lag op de weg van Cui c.s. daartoe (desgewenst) de nodige feiten te stellen. Dat hebben zij niet gedaan. Van onaanvaardbaarheid in de hier bedoelde zin is dus niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl