Rb. Rotterdam 24 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP9510
Niet in geschil is dat de maatregelen die verweerder heeft opgelegd, de schorsing, de ontzegging van de toegang en de inhouding van de bezoldiging, op de juiste wettelijke basis zijn genomen. Eiser heeft de juridische grondslag van het besluit niet bestreden. Er is geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging onjuist is en het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen het oordeel in de beslissing op bezwaar dat in dit geval sprake is van ernstig plichtsverzuim geen gemotiveerde gronden heeft aangevoerd. Weliswaar heeft eiser de gronden van bezwaar ingelast maar nu verweerder op dit bezwaarschrift gemotiveerd heeft beslist, zijn deze achterhaald. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier, met name het strafrechtelijk onderzoek, genoegzaam is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het verweten gedrag. Verweerder heeft dit gedrag terecht gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. De rechtbank verwijst in dit kader ook nog naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2008 (LJN BC5718). Inzake de evenredigheid van het opgelegde strafontslag is de rechtbank met verweerder van oordeel dat gelet op de aard van het plichtsverzuim onvoorwaardelijk ontslag een passende sanctie is. Beide beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl