Rb. Rotterdam 24 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP8965

verweerder heeft Wbr-vergunning verleend voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van windturbinepark West Rijn. Ontvankelijkheid eiseressen 2 en 3. Art. 1:2 lid 1 Awb. Eiseres 2 kan niet met succes een rechtstreeks beroep doen op art. 60, lid 7 VN Zeerechtverdrag. Aantal gronden op gebied van scheepvaartveiligheid. Berekening benodigde vaarwegbreedte. Benodigde afstand van de vaarroute tot het windturbinepark. Veiligheidszone rond het park. Onderzoek naar kruisend en samenvoegend verkeer. Bereikbaarheid havengebied. Rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat doelmatig en veilig gebruik van de Noordzee door anderen dan de vergunninghouder van West Rijn verzekerd. Verweerder had dan ook geen grond om de vergunning om die reden te weigeren. Mijnbouw. Aanwezigheid windpark kan eventuele winningsactiviteiten van eiseres 3 in P-14a bemoeilijken, maar maakt de winning niet onmogelijk. Geen sprake van bij voorbaat in absolute zin conflicterende belangen. Rechtbank ziet aanleiding om bij de vergunning een nieuw voorschrift 9 lid 4 te formuleren, dat in de plaats treedt van het bestaande voorschrift 9 lid 4. Beroep van eiseres 3 is op dit punt gegrond. Bezwaren m.b.t. visserij, effecten op vis en vislarven. Onderzoek gedaan naar effecten van het windpark op de visserij. Geen significant effect van het windpark op de visserij. Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 biedt mogelijkheid tot schadevergoeding. Rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris wel in voldoende mate toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Eiser 1 heeft gesteld dat kans op aanvaring/aandrijving toeneemt met gemiddeld 138% per jaar, maar heeft dat niet onderbouwd, en heeft berekening van verweerder niet weerlegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen