Rb. Rotterdam 24 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP8963

verweerder heeft Wbr-vergunning verleend voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van windturbinepark Q4-WP. Ontvankelijkheid eisers 2. Art. 1:2, tweede lid, Awb. Beroep van directeur CNB niet-ontvankelijk. Tweede ontwerpbesluit heeft korter dan zes weken ter inzage gelegen. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van 6:22 Awb te passeren. Eisers 2 kunnen niet met succes beroep doen op art. 60, lid 7, VN Zeerechtverdrag. Aantal gronden op gebied van scheepvaartveiligheid. Berekening benodigde vaarwegbreedte. Benodigde afstand van de vaarroute tot het windturbinepark. Veiligheidszone rond het park. Onderzoek naar kruisend en samenvoegend verkeer. Bereikbaarheid havengebied. Rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat doelmatig en veilig gebruik van de Noordzee door anderen dan de vergunninghouder van Q4 verzekerd is. Verweerder had dan ook geen grond om de vergunning om die reden te weigeren. Bezwaren m.b.t. visserij, effecten op vis en vislarven. Onderzoek gedaan naar effecten van het windpark op de visserij. Geen significant effect van het windpark op de visserij. Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 biedt mogelijkheid tot schadevergoeding. Rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris wel in voldoende mate toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Eiser 1 stelt dat kans op aanvaring/aandrijving toeneemt met gemiddeld 138% per jaar, maar heeft dat niet onderbouwd en heeft berekening van verweerder niet weerlegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen