Rb. Rotterdam 14 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP7721

DNB heeft wederom niet ingestemd met de door het pensioenfonds ingediende ingediende korte- en langetermijnherstelplannen als bedoeld in de artikelen 138 en 140 Pensioenwet, voorts heeft zij het verzoek om de ontheffing van drie jaar te verlengen naar vijf jaar afgewezen en heeft zij het fonds een aanwijzing gegeven om binnen drie weken nieuwe herstelplannen in te dienen. De voorzieningenrechter is met DNB van oordeel dat de twee achtergestelde leningen niet als eigen vermogen van het fonds mogen worden aangemerkt omdat de wijze waarop deze zijn vormgegeven niet voldoen aan artikel 8 Besluit Ftk. Het fonds zal aldus nieuwe herstelplannen moeten indienen ten genoegen van DNB. Gezien de gelieerdheid van het Pensioenfonds en de onderneming kan en mag van het Pensioenfonds gevergd worden dat hij, indien hij opteert voor een van de eerste twee door DNB genoemde opties, serieuze pogingen in het werk stelt om tot overeenstemming met de onderneming te komen. Indien het Pensioenfonds opteert voor de derde in de aanwijzing genoemde optie (vermindering van de pensioenaanspraken en -rechten), is het evident dat hij het in zijn macht heeft om aan de aanwijzing te voldoen. De voorzieningenrechter acht voorts geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van het Pensioenfonds om bij afwijzing van de gevraagde voorzieningen een dusdanige voorziening te treffen dat aan het Pensioenfonds een extra termijn vanaf 16 maart 2011 zou toekomen om aan de Aanwijzing te voldoen. Bij het aanwijzingsbesluit is het Pensioenfonds namelijk een redelijke termijn gegund om aan de aanwijzing te voldoen, terwijl er geen wettelijke bepaling aan te wijzen valt ingevolge welke het verzoeken om een voorlopige voorziening de werking van een dergelijk besluit schorst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen