Rb. Rotterdam 25 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO6781
Verzoeker wordt ervan verdacht in zijn functie van politieagent een burger wederrechtelijk van zijn vrijheid te hebben beroofd en zijn dienstpistool op die burger te hebben gericht zonder dat daartoe een aanleiding bestond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigen de aard en ernst van deze verdenking, mede gelet op de onrust die deze verdenking - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - in zowel de samenleving als bij het politiekorps teweeg heeft gebracht, het besluit van verweerder om verzoeker in zijn ambt te schorsen. Hoewel verzoeker stelt dat hij uit zelfverdediging zijn dienstpistool heeft getrokken, staat vast dat hij van het trekken van zijn dienstpistool geen melding heeft gemaakt en dat hij bijna een jaarlang hierover heeft gezwegen totdat een collega van hem over het incident is gaan praten. Daarmee heeft verzoeker op ernstige wijze het vertrouwen geschaad dat, zeker wanneer het gaat om de toepassing van geweldsmiddelen, in een politieambtenaar moet kunnen worden gesteld. Ondanks de diffamerende werking die het schorsingsbesluit heeft, heeft verweerder op grond van het vorenstaande in redelijkheid tot dit besluit kunnen overgaan. Bij besluit van 3 augustus 2010 is verzoeker op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp in het belang van de dienst geschorst. Nadien is tegen verzoeker strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf ingesteld, zodat verweerder bevoegd was de grondslag van de schorsing te wijzigen in artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp. Voor zover verzoeker stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de grondslag van zijn schorsing niet zou worden gewijzigd, dan acht de voorzieningenrechter die stelling onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken van bijvoorbeeld een daartoe strekkende toezegging van de zijde van verweerder. Zo al verweerder de grondslag van de schorsing enkel heeft gewijzigd om de bezoldiging van verzoeker in te kunnen houden, dan staat dat niet aan een toepassing van deze bevoegdheid in de weg. Met de inhouding van de bezoldiging kan verweerder immers juist uitdrukking geven aan de aard en ernst van de verdenking waarvoor verzoeker strafrechtelijk wordt vervolgd. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dus geen sprake. Gelet op zowel de aard en ernst van de verdenking als de mate waarin verzoeker het in hem te stellen vertrouwen heeft geschaad, acht de voorzieningenrechter de financiële gevolgen die het inhoudingsbesluit voor verzoeker heeft niet onevenredig. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl