Rb. Rotterdam 3 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO6093

Zeevervoer onder cognossement. Tijdbevrachting. Toepasselijk recht op wettelijk retentierecht en op contractueel retentierecht. Artikel 6 Wet IPR zeerecht. Onder 'vervoerder' in sub a van dit artikel moet ook begrepen worden de vervrachter. Genoemd artikel verwijst niet naar de contractuele loshaven maar naar de haven waar de zaken feitelijk ter lossing worden aangevoerd. Artikel 8:489 BW. Passieflegitimatie. Artikel 5 lid 1 Wet IPR zeerecht. Artikel 8:461 BW. Dat de oorspronkelijk vervoerder na het sluiten van de vervoerovereenkomst in staat van faillissement is komen te verkeren (en dat een andere partij vervolgens om die reden feitelijk het gezag over het schip heeft teruggenomen) is op zichzelf bj de toepassing van artikel 8:461 BW niet van belang. Geen reden voor analoge toepassing van artikel 8:461 lid 2 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen