Rb. Rotterdam 25 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO5063

Op basis een aanvraag in de zin van artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart heeft verweerder vastgesteld dat de door Schiphol vastgestelde tarieven en voorwaarden voor de luchtvaartactiviteiten met ingang van 1 april 2009 niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de Wet luchtvaart. De door eiseres ingediende aanvraag betreft de passagiersgerelateerde tarieven die Schiphol aan de luchtvaartmaatschappijen in rekening brengt. De passagiersgerelateerde tarieven bestaan uit de passenger service charge (PSC) en de security service charge (SSC). Schiphol brengt de passagiersgerelateerde tarieven in rekening per vertrekkende passagier en maakt daarbij verschil tussen transferpassagiers en de passagiers die Nederland als herkomst of bestemming hebben, de zogenaamde O/D-passagiers. Discriminatieverbod artikel 8.25d, tweede lid, van de Wet luchtvaart Het verschil in de passagiersgerelateerde tarieven is niet gebaseerd op een onderscheid in nationaliteit van de luchtvaartmaatschappijen en dus niet in strijd met het in artikel 15 van het Verdrag van Chicago (Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, Trb. 1973, 109 neergelegde neergelegde non-discriminatiebeginsel. Voor de beantwoording van de vraag of Schiphol het discriminatieverbod anderszins heeft geschonden is verweerder, gelet op de Memorie van Toelichting bij de Wet luchtvaart, terecht uitgegaan van het mededingingrechtelijke begrippenkader zoals is neergelegd in artikel 82 van het EG-Verdrag, thans artikel 102 van het VWEU. Verweerder heeft voor de vaststelling of er sprake is van verboden discriminatie terecht getoetst of de diensten waarvoor Schiphol verschillende passagiers¬gerelateerde tarieven in rekening brengt gelijkwaardige prestaties zijn, en zo ja, of door de tariefdifferentiatie de luchtvaartmaatschappijen een nadeel in hun onderlinge concurrentiepositie wordt toegebracht. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat haar nadeel in de mededinging wordt berokkend. De PSC voor O/D-passagiers en transferpassagiers betreffen geen gelijkwaardige diensten, zodat er geen sprake is van discriminatie. Het gebruik van de luchthaven door O/D-passagiers verschilt van het gebruik dat transferpassagiers van de luchthaven maken, omdat de laatsten doorgaans alleen gebruik maken van de luchtzijdige infrastructuur, terwijl O/D-passagiers daarnaast ook van de landzijdige infrastructuur gebruik maken. Wat betreft SSC heeft verweerder ontbetwist vastgesteld dat de beveiligingsdiensten die aan transfer- en O/D-passagiers geleverd worden vergelijkbaar zijn. Nu het gaat om gelijkwaardige diensten is het vaststellen van verschillende SSC-tarieven voor O/D- en transferpassagiers in beginsel discriminerend, indien daardoor de luchtvaartmaatschappijen een nadeel in de onderlinge concurrentie wordt toegebracht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij nadeel leidt door winstaantasting. Het bestaan van een verband tussen de door haar gesignaleerde gedragingen van gemengde luchtvaartmaatschappijen en het verschil in tarieven tussen O/D- en transferpassagiers heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Redelijkheidsvereiste artikel 8.25d, tweede lid, van de Wet luchtvaart Verweerder heeft in redelijkheid alleen de O/D-passagierstarieven behoeven te toetsen en niet ook het verschil tussen de O/D- en transfertarieven, omdat artikel 8.25d, tweede lid, van de Wet luchtvaart alleen betrekking heeft op de hoogte van ieder afzonderlijk tarief en niet op het verschil tussen twee tarieven. Verweerder heeft voor de beoordeling van de redelijkheid van de PSC en de SSC voor O/D-passagiers drie vergelijkingsmethoden gebruikt. Op basis van de benchmarkmethode bestaat er weliswaar zorg over de redelijkheid van SSC voor O/D-passagiers, maar verweerder heeft hiervoor mogelijke verklaringen gegeven en de uitkomsten van de twee andere vergelijkingsmethoden bevestigen dat er geen indicatie is voor onredelijkheid. De rechtbank toetst terughoudend en oordeelt dat verweerder in rede¬lijkheid heeft kunnen vaststellen dat de tarieven van Schiphol voor O/D-passagiers redelijk zijn. Kostenoriëntatievereiste artikel 8.25d, derde lid, van de Wet luchtvaart Het in beroep aangevoerde argument van eiseres dat uit een tariefstijging van 20% ten opzichte van de vaststelling van de tarieven per 1 november 2007 blijkt dat de tarieven niet kostengeoriënteerd zijn is onvoldoende om het naar aanleiding van de aanvraag van eiseres ingenomen standpunt over de kostengeoriënteerdheid van de passagierstarieven van Schiphol voor onjuist te houden. Zorgvuldigheid In lijn met hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2005 (LJN: AV2656) worden aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op verweerder rustende verplichting tot het vergaren van de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen in het geval van geschilbeslechting minder zware eisen gesteld dan in een situatie dat verweerder ambtshalve of op aanvraag een besluit neemt. In het geval van geschilbeslechting behoren de partijen waartussen het geschil bestaat zich actief op te stellen. In de fase van het minnelijke overleg moet alles aan de orde komen, alvorens het geschil wordt voorgelegd ter beslechting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderzoek verricht op basis van de door eiseres en Schiphol geleverde informatie door naast Schiphol ook KLM bij dit onderzoek te betrekken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen