Rb. Rotterdam 14 oktober 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO2029
Vast staat dat eiser, blijkens de brief van 20 oktober 2008 van drs. G.J. Westerveld van Psychiatrie AMC, lijdt aan posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS), alsmede dat tussen partijen niet in geschil is dat de PTSS is gerelateerd aan het werk van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de eerste drie genoemde incidenten in verhouding tot het werk van eiser en de daarbij behorende werkomstandigheden geen buitensporig karakter dragen. Het standpunt van verweerder dat deze incidenten inherent zijn aan het ambt van politieambtenaar vormt daartoe een onvoldoende onderbouwing. De door verweerder overgelegde cijfers, waaruit volgens verweerder blijkt dat de incidenten die eiser heeft gemaakt vaker voorkomen, bieden naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de incidenten geen buitensporig karakter dragen. Bovendien dateren deze cijfers uit 2008 en niet duidelijk is of deze incidenten ook betrekking hebben op mogelijke besmetting met het HIV-virus. Tevens geven deze cijfers geen inzicht in de omstandigheden waaronder en de frequentie waarmee een individuele politieambtenaar met incidenten als deze wordt geconfronteerd. Verweerder heeft voorts nagelaten, althans niet kenbaar bij zijn standpunt betrokken, dat eiser, zoals hij heeft gesteld, tot twee maal toe lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd alvorens hij duidelijkheid had over een eventuele besmetting met het HIV-virus. Hierbij is van belang dat in die tijd veel onzekerheid bestond over oorzaken van deze ziekte en dat deze ziekte tot de dood kon leiden, alsmede dat er toen bij verweerder geen protocollen voor opvang bij contactincidenten waren en ook in geval van eiser niet is gebleken van enige nazorg. Voorts heeft verweerder niet, althans niet kenbaar, onderkend dat met name door het incident met de drugsverslaafde, zwaarwegend inbreuk is gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van eiser. Een dergelijk incident kan niet zonder meer gelijk worden gesteld met een willekeurig gewelddadig incident. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet dan wel onvoldoende beoordeeld of de door eiser gestelde incidenten - de opeenvolgende mogelijke HIV-besmettingen, gevolgd door de grove inbreuk op eisers lichamelijk en persoonlijke integriteit -, bij elkaar genomen, in verhouding tot het werk van eiser en de daarbij behorende werkomstandigheden, objectief beschouwd een buitensporig karakter dragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl