Rb. Rotterdam 12 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3934

Eiser is een zogenoemde nieuwkomer. De brief waarin o.g.v artikel 22 van de Wi de inburgeringsvoorziening voor eiser is vastgesteld is een besluit. Verwijzing naar de Memorie van Toelichting en de omstandigheid dat verweerder aan eiser een deelnamebonus heeft toegekend. In dit besluit kan de vraag of eiser inburgeringsplichtig is aan de orde worden gesteld ondanks dat de inburgeringsplicht voor nieuwkomers rechtstreeks uit de wet voorvloeit. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de inburgeringsplicht aan de orde kan worden gesteld zodra verweerder consequenties verbindt aan de inburgeringsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is de toekenning van de bonus als zodanig is beschouwen. Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 april 2010 van het Europese Hof van Justitie (zaak C-92/07) is de rechtbank van oordeel dat, nu ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wi burgers van de Unie zijn vrijgesteld van de inburgeringsplicht, het opleggen van deze verplichting aan eiser die de Turkse nationaliteit bezit in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Dat geldt eveneens voor artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80, waarin discriminatie uit hoofde van nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers op het gebied van lonen en verdere arbeidsvoorwaarden is verboden. De rechtbank ziet in navolging van de uitleg van het HvJ EG geen aanleiding om deze bepalingen restrictief uit te leggen. De inburgeringsplicht is een maatregel die van invloed is op de omstandigheden waaronder een Turkse werknemer hier te lande arbeid verricht en verblijft. Nu het hier gaat om een verplichting die tot stand is gekomen na 1 december 1980, die een beperking inhoudt met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid, geldt bovendien dat het opleggen van de inburgeringsplicht een maatregel is die in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen