Rb. Rotterdam 12 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3932
Artikel 6 WVW 1994. Politieagent die in de uitoefening van zijn taak, waarbij het snelheidsmaximum aanzienlijk werd overschreden en waarbij geen zwaailicht en/of sirene werd gebruikt, twee kinderen heeft aangereden. De verweren van de raadsman zijn verworpen. In het bijzonder is het verweer gevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hem een beroep toekomt op de vrijstelling RVV 1990. De rechtbank stelt ter zake daarvan voorop dat niet moet worden getwijfeld aan de op zichzelf genomen juiste bedoelingen van de verdachte nadat hij kennis had genomen van de melding dat iemand onwel was geworden. Tegelijkertijd kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake was van noodzakelijk handelen van de verdachte. Voorts moet worden geconstateerd dat de verdachte tijdens dat handelen het daarvoor geldende veiligheidsprotocol heeft genegeerd, waardoor niet kan worden gezegd dat de verdachte de veiligheid van (anderen in) het verkeer zoveel mogelijk heeft gewaarborgd. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat hetgeen de verdachte heeft gesteld omtrent de onwerkbaarheid van de richtlijnen in de dagelijkse praktijk te denken geeft over de aansluiting tussen de theorie en de praktijk, maar dat dit de verdachte niettemin niet ontslaat van zijn verplichting om de met het oog op de verkeersveiligheid door het politiekorps zelf opgestelde richtlijnen in acht te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl