Rb. Rotterdam 2 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3503
Gedaagde heeft beslag gelegd op het zeeschip van eiseres op grond van een vordering uit een geldleningsovereenkomst die zij door cessie van de oorspronkelijke geldgever heeft overgenomen. Eiseres vordert opheffing van het door gedaagde gelegde beslag op het zeeschip. Subsidiair vordert eiseres veroordeling van gedaagde tot het stellen van een contragarantie op straffe van verval van het beslag. Volgens eiseres dient het beslag te worden opgeheven nu de vordering waarvoor beslag is gelegd geen zeerechtelijke vordering betreft in de zin van artikel 1 sub q van het Brussels Beslagverdrag 1952. Op grond van het Beslagverdrag wordt onder een zeerechtelijke vordering begrepen een vordering voortvloeiende uit hypotheek of mortgage op een schip. De hypotheek is echter nimmer ingeschreven zodat er volgens eiseres geen sprake is van een vordering die voortvloeit uit hypotheek of mortgage. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is. De leningsovereenkomst, de hypotheekakte en de akte van cessie zijn volgens eiseres niet op juiste wijze tot stand gekomen. De vordering van gedaagde is hierdoor illusoir. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het recht van St. Vincent & the Grenadines van toepassing is op de hypotheek. De voorzieningenrechter acht het vervolgens voldoende aannemelijk dat, ondanks het feit dat de hypotheek niet is ingeschreven, een rechtsgeldige hypotheek is gevestigd, zodat sprake is van een zeerechtelijke vordering als bedoeld in artikel 1 sub q van het Beslagverdrag 1952. Ook van een summierlijk ondeugdelijke vordering is geen sprake. De voorzieningenrechter heeft voorshands onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de gesloten overeenkomsten. Voor de door eiseres tussen geldgever en geldnemer gestelde vereenzelviging dient meer te worden aangevoerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat het een spooklening betreft en dat gedaagde een stroman is die enkel is opgericht voor de cessie. De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen. De subsidiaire vordering (het stellen van een tegengarantie) wordt toegewezen. Het belang van een contragarantie is in dit geval in het bijzonder gelegen in het feit dat gedaagde, mede gezien haar recente oprichting, niet beschikt over vermogensbestanddelen waarop verhaal van schade als gevolg van een eventueel ongegronde beslaglegging mogelijk is. Dit belang vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende grond voor toewijzing van de subsidiaire vordering. De vordering in reconventie, inhoudende veroordeling van eiseres tot inschrijving van de hypotheek in de daartoe bestemde registers ten name van gedaagde, wordt toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl