Rb. Rotterdam 4 juni 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3273
Beroep op artikel 6.2 van het procesreglement kort gedingen (buiten beschouwing laten producties) gehonoreerd. Ratio van dit artikel is dat de rechter in een civiele procedure slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlatingen waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Dit fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft uiteraard ook betrekking op het kennis kunnen nemen van en adequaat kunnen reageren op bescheiden die (kort) vóór of bij gelegenheid van een terechtzitting waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de eis in reconventie. Op grond van artikel 7.2 jo 1.1 van het procesreglement kort gedingen laat de voorzieningenrechter deze eveneens buiten beschouwing. Partijen zijn overeengekomen hun geschillen door middel van arbitrage te laten beslechten, ook arbitraal kort geding. Dit niet belet dat een spoedeisende zaak, waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorlopige voorziening bij voorraad wordt vereist, aan de voorzieningenrechter wordt voorgelegd (artikel 1051 lid 2 Rv). De voorzieningenrechter kan zich evenwel, indien een partij zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept en overigens alle omstandigheden in aanmerking nemende, onbevoegd verklaren om van het geding kennis te nemen en de zaak verwijzen naar het arbitraal kort geding. Afgezien van de belangen van partijen is daarbij onder meer van belang in hoeverre in het arbitraal kort geding spoedig genoeg een voorlopige voorziening kan worden verkregen alsmede of speciale expertise nodig is voor de beslechting van het geschil. Stelling van NH dat de voorziening een definitief karakter heeft en een kort geding zich daar niet toe leent verworpen. Aan het treffen van voorlopige voorzieningen hoeft niet zonder meer in de weg te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening een voorlopige is en bij het treffen van zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van betrokken partijen (HR 19-10-2001). Het verbod van de voorzieningenrechter om zich nog langer te gedragen als franchisenemer van NH is naar haar aard een voorlopige voorziening. Het verbod geldt tot de bodemrechter uitspraak heeft gedaan. Zou NH in een bodemprocedure het gelijk aan haar zijde krijgen, dan kan NH ongedaan maken van de beëindiging vorderen en/of schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl