Rb. Rotterdam 15 juli 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN1977

AFM heeft zich niet zonder nadere motivering welke een nader onderzoek van de zijde van AFM naar die financiële positie gevergd zou hebben, op het standpunt kunnen stellen dat de financiële draagkracht van eiseres niet tot matiging van de boete kan leiden. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat niet gebleken is van (onderzoek van AFM naar) signalen van benadeling van cliënten. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de opgelegde boete van € 87.125,-- niet in verhouding staat tot het bedrag aan provisie van € 5.236,49 dat eiseres volgens het onderzoek van AFM zou hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat AFM niet tot handhaving van de oplegging van het wettelijk gefixeerde boetebedrag van € 87.125,-- heeft kunnen besluiten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en bepaalt, gelet op artikel 8:72a van de Awb, de boete op een bedrag van € 20.000,--. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van het door AFM gestelde bedrag dat (de vennoten van) eiseres aan provisie ontvangen hebben van € 5.236,49 en is rekening gehouden met de door de rechtbank Rotterdam in de eerdere uitspraak van 13 juli 2009 (LJN BJ3770) geformuleerde regel dat de boete in ieder geval een veelvoud daarvan dient te bedragen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen