Rb. Rotterdam 16 juni 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN0879
Het betreft een geldvordering in kort geding. Eiser is eigenaar van een motortankschip. Eiser en gedaagde hebben een overeenkomst van tijdbevrachting gesloten. Op grond van deze overeenkomst is gedaagde aan eiser een vast bedrag per dag aan tijdvracht verschuldigd. Volgens de bevrachtingsovereenkomst worden niet-operationele uren die de bevrachter niet zijn aan te rekenen, niet uitbetaald. Het schip heeft schade aan de pompen opgelopen bij het lossen van een lading kerosine. Dit incident is voor gedaagde aanleiding geweest het schip niet in te zetten en twee weken geen tijdvracht uit te betalen. Volgens gedaagde was het schip gedurende deze twee weken niet operationeel omdat niet zeker was dat de pompen weer naar behoren functioneerden. Eiser ontkent dat het schip niet operationeel was in deze periode en is van mening dat het schip had kunnen worden ingezet zodat ook tijdvracht is verschuldigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het schip gedurende in ieder geval het grootste deel van de periode als operationeel kan worden aangemerkt en daarom ook had moeten worden ingezet. Gedaagde had op de mededeling van eiser, dat het schip kon worden ingezet, moeten vertrouwen. Indien gedaagde twijfelde aan de werking van de pompen had zij zelf een expert moeten benoemen. Dat zij dit heeft nagelaten, dient voor haar rekening te blijven. Ook het feit dat de verzekering gedaagde meedeelde geen dekking te verlenen indien de pompen toch niet naar behoren mochten functioneren, kan gedaagde niet baten. Dit is immers een kwestie tussen gedaagde en haar verzekeraar. Het grootste deel van de geldvordering wordt toegewezen. In reconventie vordert gedaagde ontbinding van de overeenkomst en subsidiair nakoming van de overeenkomst. De vordering tot ontbinding wordt afgewezen aangezien een dergelijke vordering niet vatbaar is voor toewijzing in kort geding. De vordering tot nakoming wordt deels toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl