Rb. Rotterdam 2 april 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL9997
Eisers stelling, dat hij beboet had moeten worden op grond van artikel 18 van de Wgb en niet op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wgb, volgt de rechtbank niet. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat eiser het sloottalud niet opzettelijk heeft bespoten, ligt de omstandigheid dat het middel minimaal op een strook van 250 meter op het sloottalud terecht is gekomen, in de risicosfeer van eiser. Omdat dit een rechtstreeks gevolg is van de wijze van het bespuiten door eiser van het perceel, valt dit naar het oordeel van de rechtbank niet te scharen onder de zorgplicht, maar onder de plicht die eiser heeft om bij het bespuiten te handelen volgens de gebruiksvoorschriften. Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat de boete op een bedrag van € 2000,00 is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Het had op de weg van eiser gelegen om ook op een windstille dag voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de invloed van een plotseling opstekende wind te voorkomen. Zo al uit moet worden gegaan van de juistheid van de stelling dat het milieu geen blijvende schade heeft opgelopen als gevolg van het bespuiten van het talud, behoefde verweerder hierin geen aanleiding te zien om de boete te matigen. De Wgb is immers vastgesteld om ook tijdelijke schade aan het milieu te voorkomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl