Rb. Rotterdam 9 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL6974

DNB heeft ten aanzien van een trustkantoor gelijktijdig drie sanctiebesluiten genomen: (1) een last onder dwangsom wegens niet naleving van de bij en krachtens artikel 10 van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gestelde regels; (2) een last onder dwangsom wegens niet naleving van de bij en krachtens artikel 10b van de Sanctiewet 1977 gestelde regels; en (3) een bestuurlijke boete wegens overtreding van de bij en krachtens artikel 10 van de Wtt gestelde regels. De rechtbank oordeelt dat de Sanctiewet 1977, de Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977 en de regeling toezicht sanctiewet 1977 ten tijde in geding geen basis boden voor het opleggen van verplichtingen aan trustkantoren. De betreffende last wordt derhalve herroepen. De last met betrekking tot het niet naleven van de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt kan wel grotendeels stand houden. Ook de boete wegens het niet tevoren vastleggen van de identiteit van de uiteindelijke belanghebbende houdt stand. Dat geen cautie is gegeven tijdens het laatste bedrijfsbezoek blijft zonder gevolgen, omdat het trustkantoor daardoor niet is benadeeld. DNB heeft de boete immers gebaseerd op de cliëntacceptatiedossiers, die onvolledig waren. In dit verband is van belang dat op het trustkantoor de bewijslast rustte aan te tonen dat zij de wet heeft nageleefd. Een dergelijke bewijslastverdeling is niet in strijd met artikel 6 lid 2 EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen