Rb. Rotterdam 15 februari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL5255
Verweerder heeft het rechtsoordeel gegeven dat voor de kap van 297 populieren langs de oostzijde van de A16 in de deelgemeente Prins Alexander geen kapvergunning nodig is, omdat op grond van artikel 4.4.2, vierde lid, aanhef en onder a, van de APV Rotterdam 2008 het kapverbod niet geldt voor ongeknotte populieren als wegbeplanting. Verweerder geeft aan het begrip weg in wegbeplanting in de zin van de APV de uitleg dat daarin is inbegrepen het talud naast de A16 en de groenstrook onder aan het talud. Verzoekster is van mening dat er voor deze bomen wel een kapvergunning nodig is, omdat de bomen ten onrechte als wegbeplanting zijn aangemerkt en dat het begrip weg in wegbeplanting beperkt is tot een strook van 10 meter vanaf de zijkant van de geasfalteerde rijbaan De rechtbank oordeelt dat verweerder niet bevoegd is om een rechtsoordeel te geven over het op grond van de APV al dan niet kapvergunningplichtig zijn van de bomen, omdat uit artikel 15 van de Boswet, die van hogere orde is dan de APV en daarop voorgaat, volgt dat de gemeenteraad niet bevoegd is regelen te stellen ter bewaring van ongeknotte populieren als wegbeplanting. Onder het begrip wegbeplanting in de zin van de Boswet moet, naar algemeen spraakgebruik, in dit geval worden verstaan het gebied langs het hier aan de orde zijnde stuk van de A16 met inbegrip van het talud en de groenstrook tot aan de slootkant.
De uitspraak op rechtspraak.nl