Rb. Rotterdam 9 februari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL3689
Wet inburgering (Wi): artikel 5, eerste lid, onder f, en derde lid, artikel 7, eerste lid, onder b en artikel 26 Wet inburgering nieuwkomers(Win): artikel 11 en artikel 13 Grondwet: artikel 120 Eiseres heeft onder de Win een inburgeringsprogramma gevolgd waarvoor een certificaat is afgegeven waarop geen resultaten zijn vermeld. Bij brief van 21 april 2009 is aan eiseres medegedeeld dat zij volgens de Wi inburgeringsplichtig is en voor 21 april 2014 het inburgeringsexamen dient te behalen. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte opgevat als deels gericht tegen het oordeel dat eiseres als inburgeringsplichtige moet worden aangemerkt en het bezwaar in zoverre ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Het bezwaar dat is gericht tegen het opleggen van de inburgeringsplicht is terecht ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het harmonisatiewetarrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 volgt de rechtbank niet het betoog van eiseres dat het niet redelijk is dat zij door de invoering van de Wi opnieuw inburgeringsplichtig
De uitspraak op rechtspraak.nl