Rb. Rotterdam 2 februari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL1920
Rechtbank Rotterdam Promis. De verdachte heeft samen met een ander per zeeschip een container met een deklading cassave en pomtayer met daarin verstopt een hoeveelheid cocaïne vanuit Suriname in Nederland gebracht. Het feit dat het netto gewicht van de in de deklading cassave aangetroffen partij cocaïne niet is vastgesteld en inmiddels niet meer kan worden vastgesteld door vernietiging van het geheel, betreft een omissie die als een tekortkoming van de zijde van het openbaar ministerie kan worden beschouwd. De rechtbank is echter niet gebleken dat door deze tekortkoming sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt - als zijnde een te vergaande sanctie - dan ook verworpen. Echter, aan deze tekortkoming dienen naar het oordeel van de rechtbank wel consequenties te worden verbonden. Bij een eventueel op te leggen straf zal deze tekortkoming derhalve tot uitdrukking worden gebracht in de bewezenverklaring - in die zin dat de rechtbank verdachte (partieel) zal vrijspreken van het exacte aantal ten laste gelegde kilo’s cocaïne - en in de strafmaat. De douanebeambten waren ingevolge artikel 8j van de Opiumwet juncto artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd de container aan een eerste onderzoek te onderwerpen. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007, NJ 2007, 645 heeft bepaald dat voor de in artikel 8j bedoelde controlebevoegdheid niet is vereist dat er sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit. Na het eerste onderzoek aan de container is op 3 juli 2009 besloten om de container aan een nader onderzoek te onderwerpen op grond van artikel 9 Opiumwet. I.c. bestond er een redelijke verdenking dat sprake was van overtreding van de Opiumwet. De container met inhoud was vatbaar voor inbeslagneming en de douanebeambten waren dan ook bevoegd om op grond van artikel 9 Opiumwet de container in beslag te nemen en op de aanwezigheid van verdovende middelen te onderzoeken op de wijze waarop zij daar in het onderhavige geval uitvoering aan hebben gegeven. Veroordeelt de verdachte - ook voor betrokkenheid bij twee andere transporten - tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl