Rb. Rotterdam 29 januari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL1687

Verweerder heeft de openingstijden vastgesteld van de spoorbrug over de IJssel bij Zutphen voor de jaardienstregelingen 2008 en 2009. De bezwaren van eiseres spitsen zich toe op de openingstijden in de ochtendspits en de avondspits. Voor de vlak naast de spoorbrug gelegen verkeersbrug worden dezelfde openingstijden aangehouden als die voor de spoorbrug zijn vastgesteld. Opening tijdens de spits leidt tot filevorming en verkeerschaos in Zutphen. In het belang van een goede doorstroming en de veiligheid van het wegverkeer heeft de gemeente Zutphen verweerder verzocht om de openingstijden van de spoorbrug tijdens de spits te schrappen. Gelet op de door de vaarwegbeheerder en de beroepsvaart gestelde belangen van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de IJssel heeft verweerder geen gehoor gegeven aan de wens van de gemeente Zutphen. De rechtbank Rotterdam is bevoegd omdat voor besluiten op grond van de Spoorwegwet de in artikel 90 van de Spoorwegwet genoemde uitzondering niet geldt. De rechtbank oordeelt dat er geen bezwaartermijn is aangevangen, omdat de primaire besluiten niet volgens de in artikel 3:42 van de Awb voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, maar dat verweerder terecht niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren achterwege heeft gelaten, nu de besluiten ten tijde van de indiening van de bezwaren wel reeds tot stand waren gekomen. Eiseres is belanghebbende bij de vaststelling van de openingstijden van de spoorbrug vanwege de verwevenheid tussen de spoorbrug en de verkeersbrug. Eiseres behoudt procesbelang bij de vaststelling van de jaardienstregeling van de afgelopen jaren, omdat het inhoudelijke oordeel kan worden betrokken bij de vaststelling van de openingstijden voor toekomstige jaren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Gelet op de door het Besluit spoorweginfrastructuur beschermde belangen behoort verweerder niet alleen rekening te houden met de belangen van de vaarwegbeheerder en de scheepvaart en de andere op grond van artikel 25, tweede lid, van het Besluit te horen partijen, maar evenzeer met de belangen van het wegverkeer en de omwonenden. Verweerder heeft de door Rijkswaterstaat en Schuttevaer gestelde economische en veiligheidsbelangen van de scheepvaart laten prevaleren, maar heeft zich er niet van vergewist of de daartoe aangedragen argumenten juist zijn, terwijl eiseres de door Rijkswaterstaat en Schuttevaer gegeven onderbouwing op diverse punten gemotiveerd heeft betwist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen