Rb. Rotterdam 12 november 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BL2898

Promis. Niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon opzettelijk in strijd met zijn vergunningsvoorwaarden heeft gehandeld. De stelling van de officier van justitie dat in de sociaal-economische ordeningswetgeving over het algemeen sprake is van kleurloos opzet en dat het opzet dus niet gericht behoeft te zijn op het niet naleven van de wettelijke verplichting is in beginsel juist. Niet aan de orde is de vraag of bewezen kan worden dat het (boos) opzet van de verdachte rechtspersoon gericht was op het overtreden van artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In casu is het "opzettelijk handelen in strijd met de vergunningsvoorschriften" door lozing van afvalwater op de Chemiehaven ten laste gelegd. Naar het oordeel van de economische politierechter moet het opzet zich dan wel degelijk ook uitstrekken over het in strijd met de vergunningsvoorschriften (niet zijnde een wettelijke verplichting) en kan niet met een beroep op de leer van het kleurloos opzet worden volstaan met een bewezenverklaring van het opzet op het lozen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen