Rb. Rotterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BL2063
Artikel 1:97 Wet op het financieel toezicht. Proces-verbaal mondelinge uitspraak strekkende tot schorsing van het besluit tot publicatie van een boete door de AFM. De AFM heeft het bestreden besluit niet gericht aan [D] maar aan [A], terwijl [A] een vennootschap is die thans ook bestaat en is opgericht na de gedragingen waarvoor de boete is opgelegd. De AFM was ook bekend met het bestaan van de naamswijzigingen. Onder die omstandigheden moet ten zeerste worden betwijfeld of het bestreden besluit in bezwaar en beroep stand zal kunnen houden. In ieder geval is het onwenselijk als de boeteoplegging in haar huidige vorm wordt gepubliceerd, omdat daarmee het publiek niet op adequate wijze wordt geïnformeerd omtrent de identiteit van de (veronderstelde) overtreder. [A] heeft verder herhaaldelijk en ruimschoots voor de zitting uitdrukkelijk gesteld dat de AFM niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat de rechtmatigheid van het inzetten van toezichtinstrumenten als bedoeld in de artikelen 1:73 en 1:74 van de Wft niet onlosmakelijk is gekoppeld aan een verdenking zoals in het strafrecht het geval is. Dit laat onverlet dat de in artikel 5:13 van de Awb neergelegde evenredigheidsmaatstaf en andere beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn op de uitoefening van het toezicht. Nu [A] suggereert dat sprake is van willekeur, kan de voorzieningenrechter niet op voorhand uitsluiten dat [D] er belang zal hebben om kennis te nemen van de betreffende stukken.
De uitspraak op rechtspraak.nl