Rb. Rotterdam 8 oktober 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK9381

Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van LNV, blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van VROM, zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. Verweerder heeft, vanuit het oogpunt van normhandhaving en gelet op de aard en ernst van de overtreding, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen. Verweerder heeft daartoe de standaardboetebedragen naar rato van de verantwoordelijkheden verdeeld tussen eiser en zijn werkgever. Eiser is voor één kwart verantwoordelijk gehouden en zijn werkgever voor driekwart. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten besluiten tot het opleggen van een lagere boete, dan wel had moeten volstaan met een waarschuwing. Dat de overtredingen zijn begaan in een zeer drukke periode, inmiddels voorzorgsmaatregelen zijn genomen en dat door eiser niet eerder overtredingen zijn begaan, biedt onvoldoende grond voor een andersluidend oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen