Rb. Rotterdam 8 oktober 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK9312

Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van LNV, blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van VROM, zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. Hoewel verweerder tevens in strijd met het bepaalde in artikel 100, derde lid, van de Wgb (oud) en artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld, heeft eiser niet gesteld op welke wijze hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop bestaat nog steeds aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank dient ambtshalve een antwoord te geven op de vraag of de gestelde overtredingen op grond van de Wgb kunnen worden beboet. Eiser heeft vóór 17 oktober 2007, de datum waarop de Wgb in werking is getreden, zijn rozen bespoten. Verweerder had moeten beoordelen of ten tijde van het bespuiten van de rozen die handeling naar het toen geldend recht ook verboden was. Zo ja, dan had verweerder namelijk, naar analogie van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, moeten bezien welke bepalingen voor eiser het meest gunstig zijn en die moeten toepassen. Zo nee, dan had verweerder in redelijkheid geen boete mogen opleggen. Door de beoordeling als hiervoor omschreven achterwege te laten, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit zullen om die reden niet in stand worden gelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen