Rb. Rotterdam 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK3256

Bestuurdersaansprakelijkheid na het faillissement van tien bedrijven die allen tot hetzelfde concern behoren. Er is door de rechtbank bestuurdersaansprakelijkheid aangenomen op grond van artikel 2:248 lid 2 BW omdat de bestuurders het vermoeden van causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling - het niet tijdig publiceren van jaarstukken - en de faillissementen niet hebben kunnen wegnemen. Daarnaast is ook aansprakelijkheid aangenomen door de rechtbank op grond van artikel 2:248 lid 2 BW omdat de curator voldoende had aangetoond dat ook op andere onderdelen sprake was van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling waarvan aannemelijk was dat die een belangrijke oorzaak vormde van de faillissementen. Die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bestond erin dat in het zicht van de faillissementen rekening-courant vorderingen op bestuurders werden gecedeerd aan derden die de koopsom vervolgens konden verrekenen en doordat in het zicht van de faillissementen en in strijd met de wet aanzienlijke dividenduitkeringen zijn gedaan. Ten slotte was sprake van overschrijding van bevoegdheden van bestuurders doordat enkele vennootschappen zich in strijd met de statuten hoofdelijk hadden verbonden voor schulden van andere vennootschappen. Hier was sprake van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen