Rb. Rotterdam 4 december 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BG8595
In geschil is ten slotte de door verweerder gehanteerde berekeningssystematiek c.q. de wijze van toepassing van de anticumulatiebepalingen zoals neergelegd in de artikelen 8, eerste lid, en 14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb). Verweerder stelt zich in dat kader op het standpunt dat bij het gedeeltelijk prijsgeven van inkomsten, de prijsgegeven inkomsten op basis van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rwb, in samenhang met de nog genoten inkomsten, op basis van artikel 8, eerste lid, van het Rwb, voor zover deze tezamen met het wachtgeld de laatstgenoten bezoldiging overschrijden, op het wachtgeld in mindering worden gebracht. Hoewel de rechtbank met verweerder van oordeel is dat deze wijze van berekening in overeenstemming is met de achterliggende gedachte van het Rwb en de strekking van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rwb, stelt de rechtbank vast dat de tekst van laatstgenoemd artikel geen grondslag biedt voor een dergelijke wijze van berekening. Nu artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rwb niet uitdrukkelijk bepaalt dat (tevens) rekening wordt gehouden met de nog genoten inkomsten acht de rechtbank de door verweerder gehanteerde wijze van berekening in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In dat kader merkt de rechtbank op dat het aan de wetgever is om indien de tekst van een bepaling niet in overeenstemming is met de achterliggende gedachte van een regeling, daarin op uitdrukkelijk wijze te voorzien. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl