Rb. Rotterdam 2 december 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BG7204
Faillissementsrecht. Homologatie akkoord. Artikel 153 Faillissementswet. Het door de gefailleerde aangeboden akkoord is door de rechter-commissaris ten onrechte als aangenomen beschouwd. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat uit het stelsel van de bepalingen (artikelen 145 tot en met 153 Fw) volgt dat in casu niet (eerst) aan de orde is de vraag of het akkoord wel of niet als aangenomen moet worden beschouwd – zulks is immers gegeven –, maar de vraag of er gronden zijn om de homologatie van het aangenomen akkoord te weigeren. Blijkens de strekking van artikel 153 Fw dient de rechtbank homologatie te weigeren indien – kort gezegd – de belangen van de (aan het akkoord gebonden) schuldeisers door het akkoord worden geschaad. Artikel 153 lid 2 Fw noemt een drietal gronden waarop de homologatie geweigerd moet worden. Lid 3 van genoemd artikel geeft de rechtbank daarnaast de vrijheid om ook op andere gronden en ambtshalve de homologatie te weigeren. Het artikel schrijft niet voor dat getoetst moet worden of aan de vereisten tot het aannemen van een akkoord is voldaan en, als dit niet het geval blijkt, dat homologatie dan geweigerd móet worden. Deze stelling is weliswaar te vinden in de literatuur, maar zij vindt geen steun in de tekst van de wet en/of in de wetsgeschiedenis.
De uitspraak op rechtspraak.nl