Rb. Rotterdam 3 september 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BG0764
Erfrecht en ipr. Recht dat van toepassing is op de vererving en op de afwikkeling van de nalatenschap, in het bijzonder de bevoegdheden terzake van de testamentair aangewezen executeur en afwikkelingsbewindvoerder. De rechtskeuze voor Nederlands recht in het testament ten aanzien van de vererving wordt beoordeeld aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging 1989 (verder te noemen: Haags Erfrechtverdrag). Deze keuze is geldig bevonden op grond van het gegeven dat de erflater op het tijdstip van de aanwijzing en van zijn overlijden de Nederlandse nationaliteit bezat. De vraag welk recht toepasselijk is op de afwikkeling wordt getoetst aan artikel 4 Wet conflictenrecht erfopvolging waar is bepaald dat de vereffening wordt beheerst door Nederlands recht indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had. De bepalingen van Wet conflictenrecht erfopvolging geven niet aan welk recht van toepassing is indien zoals in dit geval de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in een ander land (Zwitserland) had. Een rechtskeuze is blijkens de Wet conflictenrecht erfopvolging en de wetsgeschiedenis ten aanzien van de vereffening en de taak en bevoegdheden van de vereffenaar niet mogelijk. Hoewel in het Nederlandse internationaal privaatrecht renvoi doorgaans wordt uitgesloten, is uit artikel 4 en 5 van de Wet conflictenrecht erfopvolging en de wetsgeschiedenis op te maken dat het Nederlandse internationaal privaatrecht geen functie te vervullen heeft indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in het buitenland had. In dit geval ligt het dus voor de hand om aansluiting te zoeken bij het internationaal privaatrecht van het land waar de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats had. Artikel 92 lid 2 van het Zwitsere IPRG bepaalt „Die Durchführung der einzelnen Massnahmen richtet sich nach dem Recht am Ort der zuständigen Behörde.“ Ingevolge artikel 86 lid 1 IPRG is het gerecht of de instantie bevoegd van het land waar de erflater zijn laatste woonplaats had en dit zou dus tot Zwitsers recht leiden. De rechtbank past in dit geval echter het (gekozen) Nederlands recht toe omdat de afwikkeling van de nalatenschap hoofdzakelijk in Nederland dient plaats te vinden. De te verdelen boedel betreft hoofdzakelijk in Nederland gelegen onroerende zaken. De zaak is voorts aanhangig bij de Nederlandse rechter, die op grond van artikel 2 Rv bevoegd is tot kennisneming daarvan, en niet bij de Zwitserse rechter op de voet van artikel 86 lid 1 IPRG. Voorts zijn enkele bevoegdheden en rechten van de executeur expliciet in het door Nederlands recht beheerste testament geregeld. Het is onder deze omstandigheden in strijd met het doel van artikel 92 lid 2 IPRG als ook artikel 4 en 5 Wet conflictenrecht erfopvolging, die een doelmatige afwikkelingsprocedure beogen, om de instelling van de executele alsmede de bevoegdheden van de executeur aan Zwitsers recht te onderwerpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl