Rb. Rotterdam 29 augustus 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BE9488

Vordering tot opheffing van ten laste van eiser gelegde derdenbeslagen. Naast onder diverse banken gelegde derdenbeslagen gaat het in deze zaak om derdenbeslagen op optierechten die eiser het recht geven om in 2012 van een aantal commanditaire vennootschappen (die eigendom zijn van investeerders) een aantal sleepboten te kopen tegen een tevoren vastgestelde prijs. Mede gelet op de zeer onzekere juridische consequenties van de op deze optierechten gelegde derdenbeslagen en de grote waarschijnlijkheid dat door deze beslagen bepaalde derden, waaronder genoemde cv's, aanzienlijke schade zullen lijden, moet een belangenafweging ertoe leiden dat deze beslagen moeten worden opgeheven. Ook verreweg het grootste deel van de onder de banken gelegde derdenbeslagen moeten worden opgeheven, nu summierlijk is gebleken dat de vorderingen tot zekerheid waarvan de beslagen zijn gelegd ondeugdelijk zijn. Weliswaar ligt het bewijsrisico ter zake van de ondeugdelijkheid van zulke vorderingen ex artikel 705 lid 2 Rv bij de beslagene, dat ontslaat de gedaagde/beslaglegger nog niet geheel van zijn plicht om deze vorderingen van enige onderbouwing te voorzien, zeker als, zoals in casu, de gedaagde/beslaglegger miljoenen van eiser/beslagene claimt. Gedaagde/beslaglegger kan, mede in dit licht bezien, dan ook in beginsel niet volstaan met verwijzing naar haar processtukken uit een Ondernemingskamerprocedure ter onderbouwing van de door haar beweerde niet-ondeugdelijkheid van haar vorderingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen